Onderwijs

De meest omvattende doelstelling van Partij voor de Kinderbelangen:
Het bewerkstelligen, effectueren en bewaken van het recht op passend onderwijs voor elk kind door het versterken en verenigen van de stem van ouders die effectuering nastreven van dit ‘recht op passend onderwijs’; met alle middelen die rechtens openstaan.

Passend onderwijs moeten we definiëren om geen verwarring te laten ontstaan met de door het minocw gehanteerde definitie; een toegestaan grensgeval is in onze opvatting thuisonderwijs, bij het minocw niet. Voor de meer dan 16.000 leerlingen die thuiszitten omdat het onderwijssysteem kennelijk niet past, is thuisonderwijs het meest passend op dit moment.

In het onderwijs draait het om vier verschillende partijen (kind, ouders, school en overheid) die in een ingewikkelde ‘dans’ met elkaar verwikkeld zijn. Om de dans soepel te laten verlopen, dient iedere partij zich echter bewust te zijn van zijn of haar rol en dan eens de leiding te nemen en zich dan weer eens ‘gewillig’ te laten leiden door de ander.
In de afgelopen decennia is deze dans ten gevolge van wetgeving en allerhande ontwikkelingen (o.a. ontzuiling, schaalvergroting en een ver doorgevoerd ‘markt- en nutsdenken’ binnen het onderwijs) steeds minder soepel gaan verlopen. De rol van ouders – en (daarmee) van hun kinderen – is in het onderwijssysteem steeds zwakker geworden. Om in de beeldspraak te blijven: ouders en kinderen lijken soms alleen nog maar te mogen meedansen op de tenen van overheid en schoolbestuur.
Partij voor de Kinderbelangen wil er voor zorgen dat ouders en kinderen weer als gelijkwaardige partners kunnen deelnemen aan deze onderwijs-dans.

Pieter Huisman – bijzonder hoogleraar onderwijsrecht – had het in zijn inaugurele rede ‘Onderwijsrecht in meervoud’, Over de afweging van individuele en collectieve rechten op onderwijs in een pluriforme samenleving over het verder positioneren van partijen binnen de school of binnen de onderwijsinstelling en gaf aan dat deze ‘strijd’ met enige overdrijving wel de vierde fase van de schoolstrijd zou kunnen worden genoemd.
Hij doelde daarmee op het feit dat een meervoudig dragerschap van bestuur, ouders en docenten een stevige verankering zou verdienen in de grondwet. Op dit moment is de grondwettelijke ‘vrijheid van onderwijs’ juridische en feitelijk bezien een recht van het schoolbestuur en in veel mindere mate van ouders of docenten.
De wens van Partij voor de Kinderbelangen is het herstellen van deze verstoorde verhoudingen binnen het onderwijs(recht) en -systeem.

Overheid

Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg van de regering, aldus artikel 23 lid 1 van de Grondwet. Daarmee is het de taak van de overheid om een onderwijsstelsel in het leven te roepen, waarin de komende generatie zich kan ontwikkelen en ontplooien en waarmee de overheid haar eigen doelstellingen, motieven en het algemeen belang kan dienen. Het is immers in het landsbelang om een ontwikkelde, goed geschoolde bevolking te hebben.
De laatste decennia heeft de overheid echter de neiging om zich tot in detail te mengen in het primaire onderwijsproces; dit ondanks het feit dat het het uitgangspunt is, dat de overheid het ‘wat’ binnen het onderwijs dient te regelen, maar niet het ‘hoe’.

Schoolbestuur

Schoolbesturen zijn feitelijk en juridisch de dragers van de onderwijsvrijheid en niet de docenten of de ouders. Schoolbesturen hebben daarmee een grote mate van vrijheid bij het inrichten van het onderwijs. Het schoolbestuur bepaalt hoe zij haar organisatie inricht, welke pedagogische visie zij hanteert, hoe zij leerlingen (aan de poort) selecteert etc. etc. Ouders hebben daar (nagenoeg) geen invloed op. Dit geldt ook voor openbare scholen; in het kader van het ongeschreven beginsel van de pedagogische autonomie, bepaalt het bestuur ook daar de inrichting van het onderwijs en niet de ouders.

Ouders

Het ouderlijk gezag omvat het recht en de plicht om hun kinderen te verzorgen en op te voeden. Dit recht is opgenomen in artikel 2 Eerste Protocol UVRM en in het Nederlandse Burgerlijk wetboek. In het einde van de achttiende en begin negentiende eeuw werd nog uitgegaan van de gedachte dat dit recht van ouders een ‘natuurrecht’ of ‘door God gegeven recht’ was , maar deze gedachte lijkt steeds meer naar de achtergrond te zijn verschoven. De invloed van ouders op het onderwijs aan hun kinderen wordt steeds kleiner. Denk daarbij aan de onlangs aangenomen wet Passend Onderwijs, waarbij slechts ‘op overeenstemming gericht overleg’ met ouders nodig is over het ontwikkelingsperspectief van hun kind; een verslechtering van de positie van ouders ten opzichte van de huidige situatie, waarin ouders (in beginsel) een bepalende stem hebben in de plek waar hun kind met specifieke onderwijsbehoeften onderwijs zal genieten.
Ouders kunnen als gevolg van regelgeving ook niet of nauwelijks meer (bekostigende of niet-bekostigde) scholen stichten. Het stichtingscriterium ‘richting’ is nog steeds beperkt tot godsdienst of levensovertuiging; dit terwijl andere criteria voor de meeste ouders van veel groter belang worden geacht bij de keuze van een school voor hun kinderen. Zaken als de pedagogische aanpak, sfeer binnen een school en het al dan niet eenzijdig de nadruk leggen op de cognitieve ontwikkeling van kinderen, om maar een aantal voorbeelden te noemen. Dit zijn echter allemaal zaken die het schoolbestuur – en niet de ouder – bepaalt. Ouders zijn dan ook afhankelijk van het ‘aanbod’ van schoolbesturen en zijn niet meer in staat om het door hen als ‘ideaal’ beschouwde onderwijs voor hun kind(eren) te realiseren.
Het onderwijsstelsel loopt daarmee niet meer ‘in de pas’ met in de maatschappij waar te nemen ontwikkelingen. Toegenomen individualiteit, een pluriformiteit aan levensovertuigingen, aan pedagogisch- didactische overtuigingen, aan verschillende opvattingen die leven over wat ‘kwaliteit’ van onderwijs is, wat een goede opvoeding is, wat een prettige samenleving is. Het lijkt wel of de overheid tegen de stroom in steeds meer zaken wenst in te vullen en daarbij ook niet schroomt om de term ‘kwaliteit van onderwijs’ sterk eenzijdig in te vullen vanuit een economisch nutsdenken in plaats vanuit de gedachte dat het geluk van een maatschappij niet alleen uit te drukken is in termen van welvaart, maar misschien wel des te meer in termen van welzijn. Een neveneffect van dit denken is het gevaar dat kwetsbare leden van de maatschappij steeds vaker op een zijspoor (dreigen te) worden gezet binnen het onderwijs.

Het kind

Ieder kind heeft recht op onderwijs, d.w.z. het recht om zichzelf te ontwikkelen. Dit recht is in diverse supranationale en internationale verdragen vastgelegd . Het onderwijs dient daarbij gericht te zijn op de zo volledig mogelijke ontplooiing van de persoonlijkheid, talenten en geestelijke en lichamelijke vermogens van het kind.

Bij iedere beslissing die binnen het onderwijs wordt genomen ten aanzien van het kind dienen de belangen van het kind bovendien de eerste overweging te vormen. En kinderen die in staat worden geacht hun eigen mening te kunnen vormen, hebben daarbij het recht hun stem te laten horen in beslissingen die hen aangaan.

Aangezien kinderen deze rechten niet altijd zelf kunnen uitoefenen, maar daarbij afhankelijk zijn van hun ouders (of verzorger) als hun wettelijk vertegenwoordiger, dienen ouders deze rechten voor hen te kunnen effectueren.

Ouders hebben daarmee dus een dubbele rol: enerzijds zijn zij drager van hun eigen ‘ouderrecht’ en anderzijds komen zij als wettelijk vertegenwoordiger van hun kind op voor de belangen van hun kind in het onderwijs, waarbij zij geacht worden altijd vanuit het belang van hun kind te handelen.

Doelstelling Partij voor de Kinderbelangen

De doelstelling van Partij voor de Kinderbelangen dient er op gericht te zijn om de rol van ouders/verzorgers binnen het Nederlandse onderwijs in al zijn facetten en in de meest ruime zin van het woord te versterken . Het uitgangspunt daarbij is, dat ouders bij de uitoefening van hun rechten immer de belangen van het kind voorop stellen.

Partij voor de Kinderbelangen hanteert daarbij de volgende uitgangspunten:

1] Recht op onderwijs voor ieder kind/belangen van het kind vormen de eerste overweging/participatierecht van het kind.

Ieder kind heeft recht op onderwijs. In een ontwikkeld land als Nederland dient het daarom vanzelfsprekend te zijn dat het onderwijssysteem toegankelijk is voor ieder kind en dat ieder kind op zijn of haar leerniveau onderwijs kan genieten, zodanig dat hij of zij een ononderbroken ontwikkeling kan doormaken. Dit recht dient erkend te worden in de Grondwet. Een kind heeft daarbij het recht om zichzelf te mogen zijn en gerespecteerd te worden. Dit is inherent aan zijn of haar menselijke waardigheid. In sommige gevallen zal dit betekenen dat er op welke manier dan ook ‘onderwijs op maat’ gerealiseerd dient te worden voor een kind. Het is denkbaar dat voor sommige kinderen ook thuisonderwijs mogelijk dient te worden gemaakt, waarbij de overheid regels stelt ten aanzien van de kwaliteit van dit thuisonderwijs. Hiervoor is het nodig om de verouderde Leerplichtwet aan te passen en de Schoolplicht af te schaffen.

In beslissingen die ten aanzien van een kind worden genomen dienen de belangen van het kind de eerste overweging te vormen.

Kinderen die geacht worden hun mening te kunnen vormen, hebben het recht om hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die hen aangaan, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid.

2] Ouderrecht
In een democratische rechtstaat is het daarnaast van essentieel belang te erkennen dat ouders het recht en de plicht hebben om hun kinderen op te voeden naar eigen (levens)overtuiging en/of (pedagogische) visie en daarom hun pluriforme wensen en keuzes ten aanzien van het onderwijs aan hun kinderen dienen te kunnen waarmaken. Daarvoor is het nodig dat zij zowel individueel als collectief meer rechten krijgen binnen het onderwijs en daarvoor is het nodig dat ouders (en kinderen) binnen het Nederlandse recht erkend worden als (mede)dragers van de vrijheid van onderwijs. Dit meervoudig dragerschap dient verankerd te worden in de Grondwet.

En daarom dienen we er (als Partij voor de Kinderbelangen) voor te waken dat grondrechten van kinderen en ouders en de menselijke waardigheid fundamentele bouwstenen zijn en blijven van ons onderwijs(rechts)systeem.